Marianne Vader over data, professionele ruimte, inclusief onderwijs en bestuurlijke rugdekking
In het eerste deel van deze reeks vertelde Marianne waarom de maatschappelijke opdracht groter is dan de afzonderlijke onderwijsorganisatie. In dit tweede deel krijgt die overtuiging handen en voeten. Wat betekent missiegedreven besturen wanneer een norm, een registratie of een programma niet vanzelf leidt tot goed onderwijs voor ieder kind? En hoeveel ruimte durft een bestuurder dan werkelijk te nemen?
Niet meten om te meten, maar meten om te sturen
Mariannes kritische houding tegenover meetdrift betekent niet dat zij tegen data is. Integendeel. Onderwijsorganisaties beschikken volgens haar over meer informatie dan ooit. De bestuurlijke vraag is waarvoor die informatie wordt gebruikt. Te vaak wordt informatie verzameld, gerapporteerd en afgevinkt, zonder dat een terugkerend patroon daadwerkelijk tot handelen leidt.
Stuurinformatie krijgt pas waarde wanneer zij wordt verbonden aan een inhoudelijke vraag. Wat zien we gebeuren? Welke leerlingen profiteren wel en niet van ons onderwijs? Wat vraagt dat van professionals, leidinggevenden en bestuurders? En welke interventie is gerechtvaardigd? Data zijn in die redenering geen eindproduct van verantwoording, maar een aanleiding om beter te kijken en gerichter te handelen.
Dat geldt ook voor het geven van cijfers. Een leerling die niet aan een vaknorm voldoet, heeft zich nog steeds ontwikkeld, nieuwe kennis tot zich genomen. Het moet in de gesprekken over de voortgang vaker moeten gaan over hoe je het gat tussen de norm en het startpunt van de leerling invult, welke inspanning je daarvoor wilt leveren. In gesprekken met docenten gebruikt Marianne daarvoor een formulering die de professionele opdracht scherp neerzet:
“Het gat tussen die lat en dat kind, dat is je vak.”
Dat betekent niet dat de lat omlaag moet. Het betekent dat het vak van de docent niet ophoudt bij het benoemen van de afstand tot de norm. Het vraagt professioneel onderzoek naar de vraag hoe ieder kind verder kan komen. Juist in die ruimte krijgt de pedagogische opdracht betekenis.
Bestuurders moeten professionele ruimte mogelijk maken
Onderwijsprofessionals ervaren hoge druk van administratie, toetsing en verantwoording. Marianne heeft veel bewondering voor leraren en docenten die ondanks die druk de pedagogische opdracht blijven dienen. Bestuurders hebben volgens haar de verantwoordelijkheid daarvoor ruimte te maken. Dat vraagt om bestuurlijk lef. Niet iedere bestaande gewoonte hoeft als onveranderlijke status quo te worden aanvaard. Een bestuurder kan beredeneerd afwijken, de professionele keuze onderbouwen en daarover het gesprek met de Inspectie van het Onderwijs voeren. Marianne geeft een voorbeeld van scholen in een krimpregio die zeer intensief samenwerkten. Formeel behoorden medewerkers en leerlingen tot verschillende besturen, maar in de praktijk deelden de scholen elkaars leraren, middelen en soms ook groepen.

Vooraf leefde de vrees dat dit tijdens een inspectiebezoek vooral problemen zou opleveren. Het tegenovergestelde gebeurde: de inspectie waardeerde dat de samenwerking het onderwijs voor kinderen en ouders versterkte. Voor Marianne liet die ervaring zien dat het beeld van een inspectie die uitsluitend grenzen bewaakt te beperkt is. Bestuurders moeten de verantwoordelijkheid nemen om het gesprek te openen als norm en actuele opdracht met elkaar botsen[1].
“Je moet als bestuurder de ruimte nemen die het verschil vormt tussen de norm en de opdracht.
Als je kunt uitleggen waarom een keuze goed is voor het onderwijs, moet je dat gesprek durven voeren.”
Inclusief onderwijs betekent niet dat alles hetzelfde wordt
Ook in de beweging naar inclusief onderwijs waarschuwt Marianne voor een te eenvoudige, top-down benadering. Zij ondersteunt de beweging naar inclusiever onderwijs, maar ziet risico’s wanneer één landelijk beeld overal op dezelfde manier wordt opgelegd. Onderwijs is sterk situationeel en wat een leerling nodig heeft, verschilt.
Inclusie betekent voor haar daarom niet automatisch dat alle kinderen in hetzelfde gebouw, dezelfde klas of dezelfde onderwijsroute moeten zitten. Het betekent dat ieder kind kan meedoen en zich kan ontwikkelen op een passende plek, zo thuisnabij mogelijk. Juist daarom is diversiteit binnen en tussen scholen belangrijk. Hoe gevarieerder het onderwijsaanbod in een regio, hoe meer kinderen kunnen worden bediend. Ook een gespecialiseerde of categorale leeromgeving kan inclusief zijn wanneer die voor bepaalde leerlingen de beste ontwikkelmogelijkheden biedt.
De route naar inclusief onderwijs hoeft bovendien niet altijd te beginnen met een bestuurlijk programma. Marianne zag binnen een scholengroep hoe professionals veel autonomie kregen en elkaar ontmoetten rond leerjaren en thema’s. Uit die ontmoetingen ontstonden innovatieve ideeën die achteraf sterk bleken bij te dragen aan inclusiever onderwijs, zonder dat de beweging vooraf voortdurend als afzonderlijke beleidsopdracht was benoemd.

Een overvolle jaaragenda staat de doelstelling in de weg
Die ervaring riep bij haar een prikkelende vraag op: kan een overvolle onderwijsagenda haar eigen doelen in de weg staan? Soms bereiken professionals meer wanneer bestuurders niet ieder doel opnieuw vertalen in een programma, werkgroep en verantwoordingslijn, maar ruimte maken, ontmoetingen organiseren en goed kijken naar wat al ontstaat.
Professionals zien dagelijks waar leerlingen, ouders en de samenleving behoefte aan hebben. Toch zijn bestuurders gewend om uit regionale overleggen terug te keren met plannen die vervolgens in de eigen organisatie moeten worden geïmplementeerd. Marianne stelt een andere beweging voor. Kijk eerst wat in scholen en teams al gebeurt. Welke oplossingen ontstaan vanuit vakmanschap? Waar zoeken medewerkers elkaar op? Wat kan worden versterkt zonder het onmiddellijk over te nemen?
Dat vraagt van bestuurders dat zij richting geven zonder alles te ontwerpen. Zij scheppen kaders, bewaken kwaliteit en zorgen voor de verbinding met de maatschappelijke missie. Vervolgens geven zij professionals ruimte om de uitvoering vorm te geven. Voor schoolleiders betekent die houding dat zij niet nog een nieuwe verplichting ontvangen. Zij moeten juist voelen dat ze ruimte én bestuurlijke rugdekking krijgen.
De bestuurder fungeert dan als buffer wanneer een weloverwogen professionele keuze vragen oproept bij toezicht of inspectie. “Kom maar op met dat gesprek,” zegt Marianne daarover. Niet uit verzet tegen toezicht, maar vanuit bereidheid om verantwoordelijkheid te dragen voor een keuze die aantoonbaar voortkomt uit de pedagogische en maatschappelijke opdracht.
Harmen van der Panne
Senior consultant bij ScoliX
Dit is het tweede deel van een drieluik met Marianne Vader. Het laatste deel verschijnt 5 november 2026
[1] Bijvoorbeeld het document ‘Ruimte in Regels PO’(2025) van de Onderwijsinspectie biedt hiertoe mogelijkheden.




