Marianne Vader over kansengelijkheid, burgerschap, AI en de toekomst van onderwijs
Ons gesprek begon bij de persoon achter de bestuurder en bewoog vervolgens naar de ruimte tussen norm en opdracht. In dit derde en laatste deel kijken we verder vooruit. De voorbeelden lopen uiteen, van een internationale school op Aruba tot kunstmatige intelligentie, maar de bestuurlijke vraag blijft herkenbaar: Durven we onze vertrouwde definities opnieuw te onderzoeken wanneer de maatschappelijke opdracht daarom vraagt?
Aruba zette voor mij kansengelijkheid in een ander licht
Een bepalend moment in Mariannes loopbaan vond plaats op een Amerikaanse internationale school op Aruba. De leerlingen volgden daar een Amerikaans curriculum. Het Nederlands vormde een afzonderlijke onderwijscomponent waarop de Nederlandse kwaliteitsverwachtingen van toepassing waren. Tussen beide systemen ontstond frictie.
Het Amerikaanse systeem ging uit van brede jaargroepen waarin leerlingen met verschillende niveaus samen doorstroomden. Binnen het Nederlandse deel moesten leerlingen, van wie sommigen nauwelijks Nederlands spraken, worden gekoppeld aan niveaus als mavo, havo en vwo. Vanuit de Amerikaanse omgeving kreeg Marianne de confronterende vraag of het Nederlandse systeem “discrimineert op IQ”. Aanvankelijk vond ze die formulering bijna onvoorstelbaar. Toch hielp de vraag haar om met een andere bril naar het Nederlandse onderwijsstelsel en naar kansengelijkheid te kijken.
Het Nederlandse onderwijs maakt vroeg onderscheid. De doorstroomtoets speelt rond de leeftijd van twaalf jaar een belangrijke rol bij de schoolloopbaan. Ook zittenblijven is gebaseerd op het al dan niet voldoen aan ‘de’ norm. Zulke beslissingen zeggen volgens Marianne echter niet automatisch genoeg over de pedagogische ontwikkeling van een kind. De ervaring op Aruba leerde haar dat een vertrouwd onderwijssysteem niet vanzelfsprekend neutraal is. Wat in het ene land logisch lijkt, kan vanuit een ander stelsel fundamentele vragen oproepen. Voor bestuurders is het daarom waardevol om de eigen vanzelfsprekendheden regelmatig door de ogen van een ander te bekijken.
Burgerschap is meer dan een vak op het rooster
Onderwijs krijgt steeds vaker de opdracht om maatschappelijke vraagstukken te helpen oplossen. Burgerschapsonderwijs is daarvan een duidelijk voorbeeld. Marianne staat achter het doel: onderwijs draagt bij aan de democratie en helpt leerlingen om daarin vaardig en verantwoordelijk te handelen. Maar een voldoende voor burgerschap garandeert nog niet dat een leerling zich in de samenleving als democratisch burger gedraagt. Kennis, handelen en houding moeten met elkaar verbonden worden.
In haar werk met opleidingen bij Defensie leerde Marianne onderscheid te maken tussen cognitieve, psychomotorische en affectieve ontwikkelingsdoelen. Voor burgerschap en persoonsvorming is juist die affectieve component belangrijk. Wat doet een leerling in de samenleving met kennis? Welke houding ontwikkelt hij? Hoe gaat iemand daadwerkelijk om met verschil, verantwoordelijkheid en de gemeenschap?

Daarom hoeft burgerschap niet uitsluitend een apart vak te zijn. Het kan ook zichtbaar worden in de cultuur van een school, in maatschappelijke activiteiten, in stages en in de manier waarop leerlingen deelnemen aan besluitvorming. Niet ieder pedagogisch doel hoeft in een afzonderlijke les te worden getoetst. Het moet wel herkenbaar aanwezig zijn gedurende de schoolperiode.
“Als het druppelt in de samenleving, regent het in de school. Maar ook het omgekeerde geldt.
Wat scholen dagelijks voorleven, werkt uiteindelijk door in de samenleving.”
AI maakt de menselijke opdracht urgenter
De snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie legt volgens Marianne een nieuwe verantwoordelijkheid bij onderwijsbestuurders. Zij ziet de risico’s, maar wil het gesprek niet beperken tot het tegenhouden van technologie. AI kan leerlingen een direct antwoord geven, terwijl juist de tussenruimte van zoeken, worstelen, onderzoeken en kritisch denken pedagogisch waardevol is.
Wanneer onderwijsopdrachten zo zijn ontworpen dat een leerling met generatieve AI een eindproduct kan maken zonder aantoonbaar zelf te hebben geleerd, toetst de opleiding vooral het resultaat en nauwelijks het leerproces. Dat vraagt niet alleen iets van individuele docenten. Technologie ontwikkelt zich te snel om van iedere leraar te verwachten dat die zelfstandig en voortdurend alle opdrachten en toetsvormen aanpast. Het bestuur moet zorgen voor deskundigheid, gezamenlijke kaders en een organisatie die snel genoeg kan leren.
AI-geletterdheid betekent dan niet alleen weten hoe een toepassing werkt. Professionals en leerlingen moeten uitkomsten kritisch kunnen beoordelen, bronnen vergelijken en herkennen wanneer een ogenschijnlijk logisch antwoord te gemakkelijk wordt aanvaard. Volgens Marianne ligt daar misschien wel de belangrijkste opdracht. Onderwijs kan en moet technologische ontwikkeling niet volledig controleren, maar mensen wel voorbereiden om er zelfstandig, onderzoekend en kritisch mee om te gaan. De verdediging tegen misleidende of polariserende informatie begint niet bij de digitale poort, maar bij het menselijk denkvermogen.

De toekomst vraagt om open definities
Het gesprek over AI brengt ons bij een bredere vraag: hoe ziet onderwijs er over tien jaar uit? Marianne wil die vraag bewust openhouden. Noem het woord school en bijna iedereen ziet een gebouw. Noem het woord docent en er verschijnt een vertrouwd beroepsbeeld. Maar als het antwoord op de vraag wat goed onderwijs is door de jaren heen verandert, waarom zouden de organisatievorm en de beschikbare bronnen dan hetzelfde blijven?
Zij verwacht dat onderwijs steeds meer hybride kan worden. Niet alleen digitaal, maar ook in gebouwen, betrokkenheid van andere professionals en meer samenwerkingsvormen. Onderwijs kan plaatsvinden in verschillende omgevingen in plaats van uitsluitend in een traditioneel schoolgebouw.
“Wie onderwijs bij voorbaat gelijkstelt aan school, klas en docent, beperkt de oplossingen voordat het gesprek over de opdracht van het onderwijs werkelijk is begonnen.”
Dat is geen pleidooi voor één vast toekomstmodel. Integendeel. Marianne pleit ervoor om de definities voorlopig open te houden. De maatschappelijke opdracht moet richting geven aan de vorm, niet andersom.
Niet beginnen bij de vorm, maar bij de bedoeling
Daarmee keert ook dit laatste deel terug naar de kern van het gesprek. Onderwijs raakt de democratie, kansengelijkheid, zorg, bestaanszekerheid, digitale ontwikkeling en de leefbaarheid van regio’s. Dat vraagt om bestuurders die de eigen organisatie goed op orde houden én bereid zijn over organisatiegrenzen heen te kijken.
Na haar proefschrift wil Marianne betrokken blijven bij het onderwijs. In welke rol, laat zij bewust open. Een bestuurlijke functie, een rol vanuit de overheid of een andere positie in het publieke domein: doorslaggevend is dat zij bij de opdracht past en de opdracht bij haar. Misschien is dat wel de kern van missiegedreven leiderschap: niet beginnen bij de vorm, maar bij de bedoeling.
We sluiten het interview af met de vraag naar welke bestuurder jij nieuwsgierig bent? Aan mij nu de opdracht om Peter van Dijk, bestuurder bij De Goudse Waarden, uit te nodigen voor het volgende interview. Marianne is benieuwd hoe het met hem gaat, als mens en in bestuurlijk opzicht.
Harmen van der Panne
Senior consultant bij ScoliX




